
(Klik voor gedetailleerde
weergave - 54 kb)
Wegen naar Vikingenkamp in Gent
Laat ons even, samen met Marcel Mestdagh, op zoek gaan naar dit winterkamp in Gent. Op het eerste gezicht zie je op het stratenplan van Gent geen ronde regelmatige stadskern afgetekend, zoals we die kennen van een stad als Middelburg op het eiland Walcheren: een mooi cirkelvormig stratennet met een doormeter van ca. 200 m.
Daarentegen vinden we in Gent echter wel een ietwat ronde topografische struktuur, waarin de Vrijdagmarkt centraal is gelegen. Ze bestaat uit vier licht gebogen lijnen, waarvan de raaklijnen loodrecht op elkaar staan. Op twee van de vier hoeken vinden we in Gent twee van de oudste stenen gebouwen van de stad. Uit het onderzoek blijkt ook dat bij deze vier hoekpunten van de kampstruktuur steeds heel oude poortnamen zijn blijven bestaan: Grauwpoort, St.-Jorispoort, Hoogpoort en Hoofdpoort.
Misschien is het handig om de kampstruktuur die Marcel Mestdagh ontdekte even te verduidelijken aan de hand van het stratenplan van de stad Gent. Het Gravensteen staat op het westelijk hoekpunt. De zuidwestzijde wordt afgetekend door het Veerleplein, de Groentenmarkt, de Hoogpoort, het stadhuis, de Botermarkt, en opnieuw de Hoogpoort. De sikkelgebouwen (conservatorium) en de Zandberg staan op de zuidelijke hoekpunt. De zuidoostzijde wordt afgetekend door de Baaisteeg (binnenzijde) en de Erpelsteeg (buitenzijde), de Oude Schaapsmarkt, die de binnenzijde van de Baaisteeg verlengt, de St.-Jansdreef en de Rembert Dodoensdreef. Op de Baudelokaai, vlak naast het Stedelijk Laboratorium, is het de breuk in de rooilijn die het oostelijke hoekpunt vormt. De noordoostzijde wordt afgetekend door de Oude Vest (binnenzijde) en de Minnemeers (buitenzijde), de Beersteeg (binnenzijde). Het stedelijk Kunstinstituut in de Rode Lijvekensstraat staat op het noordelijke hoekpunt. De noordwestzijde wordt afgetekend door de Grauwpoortstraat, de Lange Steenstraat en de Geldmunt, waar wij opnieuw bij het Gravensteen komen.
Op bijgevoegd kaartje is duidelijk de ligging van de pre-stedelijke wegen in de buurt van Gent te zien en de omleggingen ervan naar de ingangen het Vikingkamp toe. Want vanzelfsprekend werd er handel gedreven met deze vikingen, en dit gebeurde net buiten de poorten zodat we op die plaatsen in latere tijd een aantal marktpleinen zien ontstaan (o.a. Veerleplein, Groentenmarkt, Botermarkt om er maar enkele te noemen). De uitzondering op de regel is hier de Vrijdagmarkt, die zich in het centrum van het kamp bevindt. Dit plein bevindt zich aan het vermoedelijke heiligdom der vikingen.Het is aannemelijk dat daarom later op dit plein de belangrijkste mededelingen aan de poorters van Gent werden gedaan. Hier zou ook de oorspronkelijke plaats van 'de Gentse draak' zich bevinden (nl. op het Torentje of op het steen van "den Grooten Mommaert"). De Gentse draak, symbool van de Noormannen en hun schepen, bekroonde meestal het voornaamste schepenhuis of het huis van de burggraaf. Zij heeft vanaf ca. 1378 een plaats op het Belfort gekregen.
De Vikingenvesting van Gent was tussen de jaren 936
en 941 in handen van de latere Keizer Otto I, die deze
uitbouwde tot de "Arx Imperialis" die we
uit de geschiedschrijving kennen.
Hij was het die de gaten in de Noormannen-omheining
ombouwde tot goed verdedigbare poortcomplexen :
- het westgat van de Vikingen wordt de Hoofdpoort
- het zuidgat wordt de hoge poort, de Hoogpoort
- het oostgat wordt de St.-Jorispoort
- het noordgat wordt Grauwpoort.
|
|
(Klik voor gedetailleerde weergave - 21 kb) Jelling-heiligdommen volgens Ejnar Dyggve |
Een eerste vereiste en noodzaak voor de in een vreemd
land reizende en strijdende Vikingen, na het optrekken
van het kamp en het binnenbrengen van het voedsel,
zal wel de aanleg van een heilige ruimte, van een tempel
geweest zijn.
We weten uit de historische bronnen dat zij heidenen
waren die Odin en Thor, Freya en Freyr als goden aanbaden,
en dat ook dit aspekt meespeelde in hun aanvallen op
diverse kloosters in Europa.
Maar welk soort heiligdommen kenden de Vikingen ?
Tot heden zijn deze nog niet ontdekt, maar de Deense
archeoloog Ejnar Dyggve heeft een komplete theorie
weten op te stellen over een soort heiligdom, over
de WY- of VY-tempel.
Wie ooit Denemarken bezoekt moet zeker eens een kijkje
gaan nemen in Jelling. Dat was gedurende de Vikingtijd
een bekende koninklijke verblijfplaats. Daaraan herinneren
nog steeds de twee grote koninklijke grafheuvels. Opgravingen
in de zuidelijkste heuvel brachten aan het licht dat
het heiligdom van koning Gorm dateerde uit het midden
van de eerste helft van de tiende eeuw en de vorm had
van een Bauta-Wy. De tempel werd door Ejnar Dyggve
gerestaureerd. Daarbij werden in de WY-ruimte sporen
ontdekt van een kristelijk romaans kerkje. Opgravingen
onder het koor verraadden een vergane houten struktuur,
die afgaande op haar ligging een heidens tempeltje
moet zijn geweest.
Ook in Tibirke, eveneens in Denemarken, werd een WY-tempel
opgegraven, met dezelfde afmetingen, vorm en oriëntatie
als deze in Jelling.
Een derde WY-tempel werd gevonden in Tingsted op het
eiland Falster. De plaatsnaam betekent: plaats waar
het geding werd beslecht, waar recht werd gesproken.
Hoe zag zo een tempel eruit? In het noorden van de struktuur
bevond zich een ronde heuvel. Aansluitend bij die heuvel
was er een, naar het zuiden wijzende, pijlvormige ruimte,
de BAUTA -WY, afgezet door menhirs (Bautastenen). In
de pijlvormige ruimte stond nog een grote menhir of
een houten tempeltje, of beide.
De vikingenpriesters werden "GODI" (enkelvoud)
en "GODAR" (meervoud) genoemd. Deze godar
behoorden niet tot een afzonderlijke priesterkaste
maar waren in feite de sibbevaders of familievaders
(stamvaders) die de offerplechtigheden aan de goden
leidden. De eerste en machtigste god, de god waaraan de strijders
zichzelf in de strijd offerden, was ODIN of WODAN.
Hij zetelde in het Walhalla, de hal der gevallenen
of gesneuvelden. Het was voor de Vikingen een zeer grote eer te sterven
in de strijd omdat zij op die manier werden opgenomen
in het Walhalla en konden zetelen aan de zijde van
Odin, hun oppergod. Odin had meer dan vijftig bijnamen en evenveel gedaantes.
En wanneer het krijgers en zeelieden goed ging, noemde
men hem : Oski, de wensvervuller.
|
|
(Klik voor gedetailleerde
weergave - 42 kb) Wy-heiligdom in Gent |
De Gentse struktuur is eveneens noord-zuid georiënteerd.
Het huis op de hoek van de Krommewal en de Speldenstraat
heette steeds "Oskins Huis". De brug over
de Krommewal heette "Oskinsbrugghe". Het
waren, met andere woorden, het huis en de brug van
Oski, de God van de krijgslieden en zeevaarders.
Opvallend is vooral dat de scherpe hoekpunt van de Wy-ruimte
samenvalt met het middelpunt van het kamp, aan de Vrijdagmarkt.
Meteen wordt ons duidelijk waarom deze vrijdagmarkt
in Gent een zo belangrijke rol speelt als verzamelpunt.
Waar de Vikingen zich verzamelden om hun goden te eren,
om belangrijke zaken te bespreken en recht te spreken
(op de jaarlijkse 'Thing', of algemene vergadering), werden
later op diezelfde plaats de belangrijkste zaken aan
het volk voorgelegd en bekendgemaakt, en werd het beleid
bepaald.
De invallen van het Grote Leger (879-891) brachten mee dat op diverse plaatsen in Vlaanderen door de Vikingen kampen werden aangelegd, waarin dan ook WY-tempels werden opgericht. Na 892 ontstond er binnen de kampen een vermenging van de achtergebleven Vikingen en de inheemse bevolking. De monniken werden voor meer dan een halve eeuw uit de buurt verdreven. De geestelijken die na meer dan 50 jaar afwezigheid terugkeerden naar de streek troffen er natuurlijk de heidense godsdienst aan. In de periode tussen 930 en 950 zien we een kersverse golf van katholieke missionarissen opnieuw, en nu voor de derde maal, de bekeringarbeid aanvatten.
In Gent is het katholieke kerkje niet te vinden, maar misschien stond dit wel binnen de driehoekige ruimte van de Wy-tempel die overeenkomt met de zuidzijde van het Anseeleplein. Daar stond, volgens de inzichten van Ejnar Dyggve, een heilige steen, een tempeltje of later een kerkje. Ook de opvallende oost-oriëntatie van dit pleintje pleit voor deze stelling. Alleen archeologische opgravingen kunnen hier uitsluitsel geven...

|
| Erik de Quick met hoorn |
Geboren op 22 november 1957, te Geraardsbergen en woonachtig te 2300 Turnhout, Korte Mermansstraat 4. Behaalde zijn diploma Hoger Middelbaar onderwijs, economische richting en het Brevet van de lagere secundaire beroepslergangen, afdeling houtbewerking. Hij volgde de leergangen Open School van het Centrum voor Geschiedenis, in samenwerking met de vakgroepen Geschiedenis van de Rijksuniversiteit te Gent, en behaalde er de getuigschriften "Archeologie" en "twaalfde-achtiende eeuw". Vanaf jonge leeftijd is De Quick gefascineerd door de Vikingen. Hij reisde diverse malen door Denemarken, Zweden, Noorwegen, Finland en Engeland, waar hij de belangrijkste restanten van de Vikingkultuur kon bewonderen en bestuderen. De kennis en de ervaring die hij opdeed als gebrevetteerd zeiler en houtbewerker komen zijn studie goed van pas. Ook runen en Noordse Mythologie vallen onder zijn interessesfeer. De Quick beschikt over een kleine bibliotheek van een 400-tal archeologische, historische en andere wetenschappelijke boeken m.b.t. Vikingen, Runen en Noordse Mythologie. Hij werkt momenteel aan een studie over de aanwezigheid van Vikingen in de Lage Landen. Zijn grote droom is de uitbouw van een groot Vikingcentrum in Vlaanderen.
Supplement: Atlantis aan de Schelde
?