Audioapparatuur

Voorgeschiedenis: de cilinderfonograaf versus de vlakke plaat
In 1877 lukte het de knutselaar Thomas Edison voor het eerst om een geluidsopname te maken. Edison's 'Talking machine' was een apparaat dat met een naald een geluidsspoor trok in een cilindervormige drager. Die cilinders waren aanvankelijk bespannen met tinfolie, later met was en uiteindelijk met het zeer slijtvaste celluloid. Het Edison-systeem is tot 1920 op de markt gebleven, maar heeft het uiteindelijk moeten afleggen tegen de vlakke plaat. Het systeem van Edison was echter veruit superieur. De celluloid-cilinders slijten praktisch niet en de geluidskwaliteit is veel beter dan die van de eerste vlakke platen. Maar zoals wel vaker is gebeurd ging het niet mis op het niveau van het produkt, maar bij de marketing. Edison had zijn Talking Machine aanvankelijk bedacht als dicteerapparaat. Muziekopnamen op cilinders waren daarom vrij schaars. Het bedrijf van Edison had volstrekt niet voorzien dat er aan het begin van de eeuw een grote markt zou ontstaan voor geluidsdragers. De weinige verkrijgbare muziekopnamen op cilinders stelden muzikaal vaak niet veel voor. Voor de grammofoon, op de markt gebracht aan het begin van de eeuw, waren meteen veel meer leuke muziekplaten verkrijgbaar. Dat de geluidskwaliteit aanvankelijk beroerd was nam men klaarblijkelijk voor lief. Zo werd de vlakke geluidsplaat de standaard voor muziekopnamen.

Mechanische platenspelers
Tot diep in de jaren '30 waren platenspelers voorzien van een opwindmotor en akoestische versterking. Dat was niet omdat het niet mogelijk was een elektrische platenspeler te bouwen. Edison had een van zijn eerste modellen al uitgerust met een redelijk geruisloze elektromotor. Maar elektriciteitsaansluitingen in de woningen waren tot kort voor de Tweede Wereldoorlog nog verre van algemeen. Daarom liepen de meeste platenspelers op een opwindmotor. Die techniek is in de loop der jaren dan ook flink ontwikkeld en het was mogelijk om praktisch geruisloze opwindmotoren te bouwen die bovendien goed stabiel liepen. Het beeld dat de meeste mensen voor zich hebben als ze denken aan een antieke platenspeler is een apparaat met een grote hoorn. De allereerste platenspelers hadden die ook, maar vanaf de jaren Ō20 verdween de hoorn steeds vaker om plaats te maken voor een compacter systeem. Koffergrammofons waren bijvoorbeeld vaak uitgerust met een klein hoorntje dat tegen het achterdeksel van de koffer straalde en zo het geluid verspreidde.

Grammofoon opwinden & plaatruis
Dit is het geluid van het opwinden van de motor van een mechanische platenspeler. Waarschijnlijk is dat geluid niet authentiek. Een mechanische platenspeler maakt namelijk helemaal niet zoveel lawaai; de motortjes zijn vrij stil en ook het opwinden is redelijk geruisarm. Ook het geratel hoort volstrekt niet bij het opwinden van een grammofoon. Het klinkt eerder als het mechaniek van een speelgoedautootje, aldus Ruud Christoffer van het Fonografisch Museum Hilversum. De plaatruis is typisch voor een 78-toerenplaat; er zitten minder boventonen in de ruis dan bij een langspeelplaat.

78-toerengrammofoon 'Victrola'
Voorbereidingen en draaien van een vrolijk 78-toerenplaatje. Veel geluid van het opwindmechaniek vooraf, evenals flinke plaatruis. Na het muziekje de ruis van de naald in de laatste groef en een 'skwiek'-geluid. Het klinkt alsof de naald snel over de groeven van de plaat glijdt. De Victrola, een platenspelermeubel met de hoorn ingebouwd in de kast, werd in 1906 op de markt gebracht door de Victor Talking Machine Co. Al gauw gebeurde met het woord Victrola net zoiets als later met het woord walkman: het werd een soortnaam. Of het apparaat op deze opname een echte Victrola is, weten we dus niet.

De LP
Op 21 juni 1948 introduceerde Columbia Records de eerste langspeelplaat. De platen waren groter dan de bekende 78-toerenplaten, hadden een kleinere groef en draaiden slechts op 33 1/3 toeren per minuut. Zo konden er ineens 45 minuten muziek op twee plaatkanten. Al snel groeide de LP uit tot een industriestandaard die pas in de jaren '80 het veld ruimde voor de CD. Al snel na de introductie volgden de eerste stereo-LP's. Overigens was het principe van stereogeluid al ver voor de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld. De nieuwe platen waren van vinyl. Dat materiaal had als voordeel dat de plaat van zichzelf minder ruiste. Het was in het LP-tijdperk dat de term 'hi-fi' (high fidelity) opgang deed in audioland.

Naald LP
Dit is het geluid van een LP-naald die -terwijl de plaat draait- over het papieren etiket in het midden van de plaat schuift.

Naald LP scratch
Het geluid van een naald die dwars over de groeven van een LP krast. Erg schadelijk voor plaat en naald. Beide geluiden zijn afkomstig van langspeelplaten en zijn dus elektrisch versterkt.

Naald LP opzetten
Het geluid van de plaat die in de aanloopgroef wordt gezet. De plaat klinkt alsof hij al veel gedraaid is.

Scratch LP's
Geluid van het kort met de hand heen en weer bewegen van een plaat terwijl de naald erop staat. Het geeft een percussief effect dat veel wordt gebruikt door djÕs in hedendaagse dance-muziek.

Magneetband
Het principe van de magnetische geluidsregistratie is al een eeuw oud. Aan het eind van de negentiende eeuw ontwierp de Deen Valdemar Poulsen een recorder die werkte met een staaldraad. Die recorder maakte geluidsopnamen door die staaldraad te magnetiseren. De sterkte van het aangebrachte magnetisch veld op de drager komt overeen met het geluidssignaal. Wanneer de geluidsdrager wordt afgespeeld, leest de recorder de magnetische velden en reproduceert zo het opgeslagen geluidssignaal. Het apparaat van Poulsen klonk niet goed genoeg, dus ontwikkelde hij het vooralsnog niet verder. Maar eind jaren '20 pakte men in Duitsland deze ontwikkeling op en in 1935 presenteerde Telefunken de eerste 'Magnetophone'. Dit apparaat registreerde geluid op banden van plastic met een laag ferro-oxide als magnetische drager. Pas na de Tweede Wereldoorlog begon de grote opmars van de taperecorder. Opnamestudio's van platenmaatschappijen en radiostations namen de taperecorder pas jaren later in gebruik. Dat kwam omdat de opnamekwaliteit van de oude plaatrecorders aanvankelijk nog die van de magneetband overtrof. De taperecorder maakte in de begindagen vooral furore als pretapparaat in de huis-tuin-en-keukensfeer en zo kwamen er allerlei koffermodelletjes op de markt.

Tape rewind & flap
Het geluid van een magneetband die wordt teruggespoeld. Het uiteinde schiet los. Doordat de opwindspoel blijft draaien, flappert het uiteinde van de tape in het rond. Een auto-stopmechanisme zoals een cassettedeck dat heeft, was een zeldzaamheid op consumentenmachines.

Tapedeck rewind, versneld
Het geluid van het versneld afspelen van een magneetband. De spraak op de opname verandert zo in een razendsnel gekwek. Duidelijk is te horen dat de recorder is uitgerust met een variabele regelaar voor de zoeksnelheid, want de toonhoogte en de snelheid van het gekwek vari'ren.