De telegraaf was de eerste vorm van commerci'le telecommunicatie in Nederland. Aanvankelijk wilde de overheid er niet aan, maar uiteindelijk besloot zij toch een telegraafnetwerk te gaan exploiteren. Zo werd in 1852 de eerste telegraafverbinding tussen Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Dordrecht en Breda geopend. Het telegraafverkeer groeide sterk, net als de telefoon die in de jaren Ô80 werd geontroduceerd. Vanaf 1923 ging het internationale draadloze telegraafverkeer van start. Tegelijkertijd begon de telegraaf als binnenlands communicatiemiddel aan zijn neergang.
Seinen telegraafkantoor / Seinsleutel & Morsetelegraaf
Om een bericht te verzenden met de telegraaf, moet het gecodeerd worden in Morse-code. In die code is elke letter van het alfabet een combinatie van lange en korte pulsen. De telegrafist vertaalt de aangeleverde berichten in code en tikt de korte en lange pulsen met de seinsleutel. Die werkt als een stroomschakelaar en stuurt zo elektrische pulsen door de kabel. Aan de andere kant van de verbinding vertaalt een telegrafist de code weer terug.
Telex / Teletype heel oud
In 1933 bracht de PTT de telex op de markt. Deze 'abonneetelegraaf' was in feite een typemachine met een aansluiting op het telefoonnet. Daardoor kon elke particulier met een telefoon ook een telex nemen, en hoefde hij zo dus niet meer de gang naar het telegraafkantoor te maken. De telex is nu verdwenen ten gunste van de fax, in feite een kopiëermachine met telefoonaansluiting.
Telefoon
De telefoon kwam in Nederland in de jaren '80 van de vorige eeuw. Maar pas in 1895 gingen de overheden zich voor het eerst bezighouden met telefoonnetwerken. Telefoon was aanvankelijk vooral iets voor de zakelijke markt. Toen ook de middenstand en particulieren massaal telefoon namen, kreeg men capaciteitsproblemen. Het telefoonverkeer werd namelijk uitsluitend afgehandeld door telefonistes die letterlijk met de hand snoertjes prikten tussen twee telefoonaansluitingen. In 1929 besloot de PTT daarom in elk district een automatische centrale neer te zetten. Telefonistes waren voortaan alleen nog maar nodig voor het interlokale verkeer. Tegenwoordig zijn centrales elektronisch, maar tot niet zo heel lang geleden bestonden ze uit grote kasten met relais die karakteristieke klikgeluiden maakten als ze oversloegen. De automatisering van het telefoonverkeer betekende ook de introductie van het toestel met kiesschijf. Voorheen nam je gewoon de hoorn op en vroeg je de telefoniste om een verbinding, nu moest je zelf het nummer kiezen. Het laatste toestel met kiesschijf is de T65, de standaard-telefoon van de PTT uit 1965. Sinds de jaren '80 levert de PTT een standaardtoestel met druktoetsen en zo is het geluid van de kiesschijf inmiddels praktisch verdwenen. De T65 is ook zo ongeveer het laatste toestel met de klassieke rinkelende bel in plaats van een elektronische pieper. Rinkelende telefoons stonden ooit hoog op de lijst van irriterende geluiden. De geluidsfilosoof Raymond Murray Schafer vraagt zich in een boek uit 1977 af waarom men indertijd die telefoons heeft uitgerust met zulke lelijke geluiden en niet met mooie muziekjes naar keuze. Hij verwijt de ontwerpers van onze technologische omgeving dat ze volstrekt niet letten op de geluiden waarmee ze ons opzadelen: "Their ears are stuffed with bacon". Wie het spek uit zijn oren haalt en luistert naar de geluidsomgeving waarin hij zich bevindt, kan dan horen dat de telefoon zoals op de opname Telefoon rinkelen steeds twee keer rinkelt met een interval van zo'n zes seconden. Schafer heeft er onderzoek naar gedaan en geconcludeerd dat zulke patronen per land verschillen. Telefoons nemen zo overal ter wereld op een subtiel verschillende wijze bezit van de geluidsomgeving. De opname Telefoon diverse rinkels laat alleen verschillende belklanken horen en niet het patroon waarin de telefoons rinkelen.
De automatisering van het telefoonnet maakte tenslotte ook afgesproken signalen nodig zoals de in-gesprek-toon: Telefoonhoorn nummer bezet.